De afgelopen jaren is de lijst met gewasbeschermingsmiddelen op alle fronten flink uitgedund. In tien jaar verloor de akkerbouwsector maar liefst vijftig werkzame stoffen. Deze ontwikkeling is nog niet ten einde. Kunnen ‘groene’ alternatieven of een andere teeltaanpak de gevolgen beperken?

Het verdwijnen van gewasbeschermingsmiddelen is wekelijks in het agrarisch nieuws. Of het nu gaat om herbiciden, insecticiden, fungiciden of bewaarmiddelen, alle plantaardige sectoren hebben ermee te maken. Steeds meer stoffen krijgen niet langer een toelating of herregistratie. Zo daalde in de Europese Unie het aantal synthetische werkzame stoffen
in twintig jaar tijd van 950 naar 400. Alternatieve middelen zijn lang niet altijd voorhanden. Voor onkruidbestrijding betekent het terugvallen op mechanische alternatieven. Maar voor
een schimmel- of insectenbestrijding is dat lastig. Daar moet het roer rigoureus
om.

Groene gewasbeschermingsmiddelen werken anders dan synthetische. Ze moeten bijvoorbeeld veel vroeger ingezet worden of juist bij zeer groeizaam weer.

Grote teelten eerst

De Nederlandse akkerbouw heeft te maken met niches. Zelfs een gewas als aardappelen of zaaiuien is in wereldwijd perspectief een relatief kleine teelt. Het betekent dat chemiefabrikanten hun pijlen bij het ontwikkelen van nieuwe werkzame stoffen eerst richten op de grote teelten: tarwe, maïs en soja. Kleine teelten worden soms bewust gemeden omdat de aanvraagprocedure omvangrijk is. De kosten om een nieuwe werkzame stof te ontwikkelen en toegelaten te krijgen in Europa zijn gigantisch. Bedragen lopen in de honderden miljoenen. De producent moet van een flinke omzet verzekerd zijn om deze investering terug te verdienen. Dat lukt beter in een grote teelt. En vervalt de licentie, dan mag iedere fabrikant het vrij produceren. Daarnaast mijden fabrikanten steeds vaker het zeer strenge Europa, met zijn vele regels omtrent gewasbescherming. Met de Green Deal op tafel, waarin beschreven staat dat het gebruik van chemische gewasbescherming in 2030 met 50% moet zijn gereduceerd, wordt die markt steeds lastiger.

Lange onzekerheid telers

Afgelopen jaar stonden 147 chemische verbindingen op de lijst van Scopaff – het comité dat oordeelt over detoelating van middelen – om verboden te worden. Uiteindelijk kregen 45 werkzame stoffen een tijdelijke verlenging van één jaar omdat het vanwege de coronapandemie niet lukte tijdig een beoordeling uit te voeren.
Het is de vraag of dat dit jaar wel lukt, waardoor een verlenging van nóg een jaar aannemelijk is. Op de lijst staan ook middelen die voor Nederland cruciaal zijn. Zo stemde landbouwminister Schouten tegen de verlenging van tebuconazool, een belangrijke fungicide in de graanteelt. Ook is Schouten niet meegegaan in de hernieuwde
toelating van Benfluralin, de werkzame stof van de herbicide Bonalan. Na Asulam, Legurame en Chloorprofam is het de vierde essentiële herbicide die vervalt. Belangenbehartigers proberen het roer voor Bonalan nog te keren. Ook dat kenmerkt het dossier gewasbeschermingsmiddelen, waar vaak maanden of jaren touwtrekken plaatsvindt voor definitief een streep door het gebruik wordt gezet. Dat brengt telers in een onzekere positie.

Onkruid mechanisch te lijf

Door het gemis van deze herbiciden wordt onkruidbestrijding in uien, cichorei en witlof een grotere uitdaging. Niet zo gek dus dat steeds vaker wordt teruggegrepen op mechanische
alternatieven. Daarbij worden zij gesteund door afnemers die het gebruik ervan deels subsidiëren. Naast de noodzaak zien ondernemers het nut in van deze ommezwaai. Mechanische onkruidbestrijding heeft een vlucht genomen. De biologische sector heeft de techniek mede-verfijnd. Met camera- en gps-besturing, teeltbedden, intrarijwieders en meer innovatieve instrumenten is onkruid beter aan te pakken. Helemaal zonder handenarbeid lukt nog niet. De komst van robotisering in de komende jaren gaat deze
ontwikkeling versnellen. Waar een biologische teler hopelijk kan profiteren van betere marktprijzen is dat voor conventionele telers lastig. Schoffelen en eggen kost immers meer geld dan spuiten. Die meerkosten vergoedt de marktprijs niet.

Geen alternatief fungiciden

Lastiger is het om voor insecticiden en fungiciden een alternatief te vinden. Mechanisch zijn die er niet of nauwelijks. Weerbare rassen, bijvoorbeeld met een ingekruiste resistentie, moeten problemen het hoofd bieden. Het nadeel is de tijd die het vergt en niet voor iedere vraag is een genetische oplossing. Een suikerbiet die resistent is tegen luizenschade is niet per definitie een ras dat veel wortel- of suikeropbrengst levert.
Veredelaars en pootgoedbedrijven pleiten al jaren voor toelating van de veredelingstechniek Crispr-Cas, waarmee de rassenontwikkeling in een stroomversnelling kan raken. Deze vorm van gmo blijft niet toegestaan in Europa.
Te vaak wordt op korte termijn een streep gezet door de toelating van een cruciaal middel. In het geval van de suikerbietenteelt zijn de gevolgen daarvan goed merkbaar. In heel Europa is de bietenopbrengst gekelderd dankzij insectenvraat en aantasting van het vergelingsvirus, waardoor de zaadcoating met neonicotinoïden meestal weer rap
werd toegestaan, al zij het tijdelijk.
Ook in Nederland zijn er problemen, maar tot een derogatie kwam het niet. In de praktijk is – verschillend per regio – wel een opbrengstdaling tot 30 procent zichtbaar. Het toont
aan hoe impactvol het verdwijnen van één stof kan zijn voor de gehele sector. Emotiepolitiek speelt hierbij een belangrijke rol. Met zijn ‘groene’ regering was de Franse politiek fel gekant tegen de neonics, maar stond het wel snel een derogatie toe. Met het
verdwijnen van het Verenigd Koninkrijk is de machtspositie in de EU gewijzigd.
In Nederland merken we daar de gevolgen van omdat dit buurland qua gewasbescherming vergelijkbaar is. Duitsland en Frankrijk – met hun grote inwonersaantallen – domineren het
stembeleid.

Stoffen op de tocht

De coronapandemie heeft ervoor gezorgd dat enkele tientallen middelen een jaar of twee respijt hebben gekregen. Daar zitten ook stoffen bij die een belangrijke rol hebben binnen de akkerbouwteelten. Omdat toelatingshouders – die de licentie voor de werkzame stof bezitten of het middel ontwikkeld hebben – al jaren eerder informatie moeten aanleveren
voor het toelatingsdossier weten ze meestal goed welke stoffen aan de goede kant van de lijn staan en welke niet. Toch is het lastig om erachter te komen welke stoffen op de tocht
staan. Fabrikanten en distributeurs zijn niet happig om daar uitspraken over te doen, leert de praktijk. Als reden geven ze aan dat gevreesd wordt voor een omzetdaling. Verschijnt in de pers dat een verbod mogelijk aanstaande is, dan grijpen gebruikers het liefst direct naar
een alternatief.

‘ZAADCOATING WEG EN IN
HEEL EUROPA KELDERDE
DE BIETENOPBRENGST’

Het kan voorkomen dat een stof uiteindelijk toch blijft toegestaan, of pas veel later dan de verwachte termijn verdwijnt. Een goed voorbeeld is de herbicide Linuron. Over een verbod van deze werkzame stof werd al in 2010 gesproken, maar het duurde tot eind 2017 voor het daadwerkelijk was uitgefaseerd. Een kant en klaar lijstje krijgen met middelen in de gevarenzone is dus lastig. Wel is bekend dat de groep met triazolen flink is uitgedund en verder op de tocht staat. Van de acht veelgebruikte triazolen zijn er maar één of twee waarvan de toekomst veilig is. Daaronder ook het veelgebruikte prothioconazool. De schimmelbestrijders worden ingezet in de teelt van graan, suikerbieten en koolzaad voor de bestrijding van o.a. septoria, fusarium, roest, bladziektes en sclerotinia. Duits onderzoek wees in 2011 uit dat de opbrengsten door het gemis van de ‘triazolengroep’ met een derde af kunnen nemen. Omdat de stoffen hormoonversterkend werken faseert de Europese Commissie ze steeds verder uit.

Anders telen

Een andere groep stoffen die ter discussie staat zijn pyrethroïden. Niet alleen door politieke druk maar, ook vanuit de sector zelf. De insecticiden zijn ‘allesdoders’ die ook natuurlijke
vijanden opruimen. Qua aanschafprijs goedkoper maar in werking uiteindelijk duurder. Je verstoort het natuurlijk evenwicht waardoor nuttige insecten niet helpen om luizen te bestrijden. Vooral in de teelt van suikerbieten, maar ook uien wordt het middel vaker
toegepast met het verdwijnen van de neonics en fipronil-zaadcoating.
Voor de luisbestrijding in pootaardappelen en bloembollen is het eveneens lastig om over een goed gevulde middelenkast te beschikken. Telers hebben nog twee tot drie middelen, waar toepassingsrestricties aan zitten. Ook dat is een terugkerend thema. Wordt de toelating verlengd, dan kan het aantal toepassingen, de dosering of het moment van toepassen, wijzigen. Bij luisdoders bijvoorbeeld geen gebruik in de bloei, of slechts één of tweemaal per seizoen. Voor de bestrijding van luis in pootgoed is het terugvallen op het gebruik van minerale olie. Ook daar is discussie over geweest, al bevindt die zich nu in de luwte. Redenen voor pootgoedtelers om het in de teelttechniek te zoeken.
Schraler bemesten of eerder loofdoden om geen late virusaantasting in de hand te werken. Een gewas waarvan het loof beter vernietigd kan worden heeft als voordeel dat de loofdoding eenvoudiger kan geschieden nu Reglone (diquat) niet langer is toegelaten.

Resistentie op de loer

Voor de bestaande traditionele gewasbescherming ligt nog een gevaar op de loer: die van resistenties. Bijvoorbeeld bij de fungicidebestrijding in uien en aardappelen. Met het wegvallen van Mancozeb is de sector een cruciale multi-site fungicide kwijtgeraakt die niet gevoelig is voor resistentievorming. Van deze multiside fungiciden zijn er slechts twee over, waardoor de sector voor meer resistentie vreest in de toekomst. Alternatieven stoffen – als die er zijn – werken vaak eenzijdig en daardoor minder effectief. In uien en aardappelen is dit probleem het grootste, maar ook in bollen is het een issue. In de graanteelt zijn de problemen minder.
Om resistentie niet in de hand te werken zoeken veredelaars heil in een nieuwe generatie rassen. Niet genetisch gemodificeerd maar ‘robuuste’ of duurzame rassen, zoals ze worden
genoemd. In de aardappelwereld zijn er inmiddels flink wat van op de markt. In de uienwereld zijn er ook rassen met resistentie tegen meeldauw. Het zijn vaak de biologische bedrijven die deze rassen telen, omdat alternatieven hier ontbreken. Gangbare akkerbouwers kiezen voor de bekende en veelgevraagde rassen. Toch verandert dit naar verwachting in de toekomst wel. Een ras dat slechts eenmaal per twee weken hoeft te worden bespoten, in plaats van eens per vijf dagen, spreekt iedere teler aan.

Groene middelen

Anders telen om het verdwijnen van middelen op te vangen, is inmiddels eerder regel dan uitzondering. Het betekent ook de opkomst van groene gewasbescherming, waarbij wordt gebruik gemaakt van producten met een natuurlijke oorsprong. Dat vergt een andere
denkwijze van de teler, maar ook de adviseur. Waar synthetische gewasbeschermingsmiddelen vaak een goede preventieve en iets curatieve werking hadden, is dat bij groene middelen anders. Ze moeten bijvoorbeeld veel vroeger ingezet
worden of juist bij zeer groeizaam weer. Ook is de werking niet altijd vergelijkbaar, met soms een minder resultaat.
Daar komen toepassers in de praktijk achter. ‘De tijd dat fabrikanten altijd een oplossing op de plank hadden liggen is voorbij’, zegt een fabrikant. ‘Het besef dat alternatieven niet langer voor handen zijn neemt toe. Is er wel een oplossing, dan werkt die meestal niet
vergelijkbaar.’ Toch zetten bestaande en nieuwe bedrijven in op groene middelen. Simpelweg omdat het soms de enige optie is. Omdat deze nieuwe middelen via de bestaande toelatingsprocedure moeten worden goedgekeurd, zorgt dat voor vertraging.
Een bacterie werkt nu eenmaal niet hetzelfde als een synthetisch geproduceerd middel.
Belangenbehartigers zien dat graag anders, maar het proces verloopt traag.

‘DE TIJD DAT
FABRIKANTEN ALTIJD
EEN OPLOSSING OP DE
PLANK HADDEN LIGGEN IS
VOORBIJ’

Wel heeft de toelatingsinstantie Ctgb inmiddels een ‘greenteam’, dat zich specifiek op groene gewasbescherming richt. Toch moet het uiteindelijk via dezelfde weg beoordeeld worden.

’In tien jaar tijd nam het aantal groene middelen met 65% toe, zo becijferde brancheorganisatie Nefyto eerder. Van alle ingezette gewasbeschermingsmiddelen kon in 2019 12% als groene worden betiteld. Dat was tien jaar eerder 6,7%.

Anders denken

Het wegvallen van cruciale middelen werkt in de praktijk bijna altijd kostenverhogend. Alternatieven zijn prijzig, mechanisch ingrijpen is kostbaar of de opbrengst en kwaliteit nemen af. Vroeg of laat moet de benodigde meerprijs dan ook uit de markt komen, zo denken mensen uit de sector zelf. Toch gaat dat traag. Consumenten hebben geen meerprijs over voor een minder bespoten aardappel of ui. Zo lang voldoende product beschikbaar is, of uit het buitenland gehaald kan worden, blijft de prijs laag. Of teelten
verdwijnen door een gebrek aan middelen is een gevaarlijke uitspraak.
Het verleden heeft aangetoond dat de praktijk veerkrachtig is en steeds weer met oplossingen komt. Maar de weg hiernaartoe wordt steeds lastiger. Het vraagt bovendien een andere denkwijze en andere aanpak van de teler, adviseur, fabrikant en afnemer.

Wageningen Universiteit en Research (WUR) doet al meerdere jaren onderzoek naar strokenteelt. Onder andere op de Boerderij van de Toekomst in Lelystad. Daar wordt ook gekeken in welke mate het telen van gewassen op stroken de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen kan verminderen. ‘Centraal in het systeem staat de biodiversiteit’, legt onderzoekster Marleen Riemens uit, die tevens specialist is op het
gebied van gewasbescherming. ‘Strokenteelt is niet dé oplossing, maar een onderdeel van het enorme Europese vraagstuk in de zoektocht naar een toekomstgericht landbouwsysteem. Met meer gewassen verruim je de rotatie en daarmee leg je een goede basis voor bijvoorbeeld de nematodenbestrijding. Cruciaal is dat waardplanten worden voorkomen.

‘Strokenteelt is niet dé oplossing, maar een onderdeel van de zoektocht’

Diversiteit werkt ook positief op de onkruidbestrijding. Verschillende zaaidata en plantsoorten leveren een verschillende onkruiddruk op. Door het steeds anders te bestrijden verklein je de kans op probleemonkruiden.’
Op het vlak van natuurlijke vijanden zien de WUR-onderzoekers duidelijke voordelen bij strokenteelt. ‘Insecten bewegen zich gemakkelijker voort op kleine oppervlaktes en kunnen vanuit de ene strook in een ander de plaag bestrijden’, weet Riemens. ‘Dit werkt niet wanneer het naburig gewas een waardplant is. De grensstroken zijn daarom belangrijk. Het effect op schimmelbestrijding is wisselend. Schimmels die van natte omstandigheden
houden, gedijen minder goed door de open omstandigheden. Tegelijk zien we dat schimmels die van drogere omstandigheden houden juist floreren.
Een concreet positief effect is daardoor lastig hard te maken. Gewassen in stroken kunnen een vertragend effect geven op de verspreiding van sommige schimmels. De phytophthoraschimmel kan zich kilometers ver met de wind verspreiden. Het werkt dus niet altijd zo. We hebben aanwijzingen dat strokenteelt de biodiversiteit vergroot zonder dat het ten koste gaat van het productieniveau. Deze combinatie van diversiteit, een weerbaar systeem, opbrengst en kwaliteit past bij het grote vraagstuk. Daar zien we de echte kansen.’