Niet meer ploegen, strorijke mest volledig benutten en grasland weren als rustgewas. Het zijn de uitdagingen die Kees en Anco van der Bos in Holwerd aangaan. ‘Anticiperen op nieuwe wetgeving en maatschappelijke wensen is een must. De vraag is alleen hoeveel tijd we krijgen om daar goed invulling aan te geven.’

Ruim 40 ton bruto opbrengst aan pootaardappelen per hectare. Dat is de inschatting van Anco van der Bos over het afgelopen groeiseizoen. Hij en zijn vader Kees zijn er, gezien de lastige weersomstandigheden, tevreden mee. Zeker in het jaar dat ze voor het eerst de ploeg bijna volledig in de schuur lieten staan en voor het hele areaal van circa 100 hectare overstapten op niet-kerende grondbewerking (NKG).
Pootaardappelen, hoofdzakelijk stammenteelt, is de belangrijkste teelt voor de maatschap en jaarlijks benutten ze nu zo’n 40 hectare daarvoor. Suikerbieten gingen op 20 hectare de grond in. Daarnaast telen ze 25 hectare brouwgerst en 4 hectare uien. ‘De bieten leverden anders gemiddeld 80 ton per hectare op, nu 70 ton. Ook de zomergerst viel met 6.700 kilo ruim 2 ton lager uit dan de meeste andere jaren’, vertelt Anco. ‘Maar dat ligt niet aan de andere bewerkingsmethode. Sowieso ploegden we al niet voor het zaaien van granen en we weten allemaal dat dit qua weer een uitdagend jaar was.’

Ecolana over op nieuwe generatie

De akkerbouwers Kees van der Bos en Jan Idsardi, melkveehouder Frans Antonides en schapenhouder Johannes van Sinderen startten in 2001 met hun samenwerkingstraject Ecolana. Doel was, naast gronduitruil, om met elkaar beter op groene en blauwe diensten in te kunnen zetten en de potentiële kansen op dat terrein beter te kunnen benutten. Gezamenlijk hebben de vier bedrijven 360 hectare teeltbare grond rond Holwerd en Ternaard in gebruik en 50 hectare buitendijks waar vleesvee wordt gehouden.
Na twintig jaar heeft Kees van der Bos de voorzittershamer recent overgedragen aan Klaaske van Sinderen. Met Anco van der Bos en de broers Sake en Gerardus Antonides vormt zij de nieuwe generatie die de bedrijven overneemt en daarmee ook de leiding over Ecolana.
De jonge generatie zet de samenwerking bewust voort vanuit economisch oogpunt, maar zeker ook voor hun imago als duurzame vooruitstrevende agrariërs. ‘Samen krijg je meer voor elkaar en kun je je boodschap vaak ook beter uitdragen’, stelt Anco van der Bos.
Op economisch vlak wordt naast de grondruil momenteel ingezet op onder andere plas/dras-gebieden, amfibiepoelen, rietkragenbeheer en wordt er gewerkt aan de opzet van een voedselbos.
‘Aan akkerrandenbeheer doen we nog wel mee op eigen initiatief, maar niet meer voor een vergoeding’, vertelt Kees van der Bos. ‘Elke foutje of tekortkoming wordt meteen als economisch delict aangemerkt. Dat overkwam ons meer dan eens de afgelopen twintig jaar en kostte meerdere keren duizenden euro’s. Dat geld en de irritatie is het ons niet waard.’  

Extensiever bouwplan

Ondanks het zeer uitdagende groeiseizoen zijn de maten tevreden: ‘De opbrengstprijzen zijn meest prima tot goed.’ Dat vertrouwen en goede prijzen kunnen ze ook goed gebruiken, nu er dus actief nieuwe stappen worden gezet in het verduurzamen van hun teelt. Ze werken toe naar een extensivering van het bouwplan, waarbij ze bij de poters een regime van 1:4 willen hanteren. Daarnaast is afgelopen jaar circa € 100.000 geïnvesteerd in opslag van strorijke mest en machines om dit goed te kunnen benutten.
‘De keuze om met strorijke mest te gaan werken, komt onder andere voort uit onze samenwerking met een buurman-melkveehouder onder de noemer Ecolana (zie kader). Sinds 2011 heeft hij een co-vergister in gebruik en wij hebben de jaren erna zijn digestaat op onze percelen ingezet. Naar ons idee werkt dit echter niet goed’, vertelt Anco. ‘Bij frequent gebruik tast het de biologie in de bodem te veel aan.’
Toen de melkveehouder een aantal jaren geleden aangaf te willen uitbreiden en een nieuwe stal te gaan bouwen, kwamen vader en zoon Van der Bos dan ook met hem overeen dat het een stal met strostalmest moest worden.
De vergunning voor de nieuwe melkveestal is echter nog niet rond terwijl vader en zoon Van der Bos hiermee wel verder wilden. ‘Vanuit de regiodeal Noord-Nederland kregen we de kans mee te doen met een vierjarige proef om strorijke vaste mest op het veld te mogen brengen, zonder de verplichting dit onder te moeten werken. Nu kopen we de mest eerst op de markt aan totdat we de stromest van de buurman kunnen gebruiken’, vertelt Kees van der Bos. Daarbij is de overstap gemaakt naar NKG. Op graanpercelen wordt direct na de oogst een groenbemester gezaaid en daar komt 7 tot 7,5 ton stromest per hectare bij. De percelen waar pootaardappelen werden gerooid, krijgen ook een groenbemester en stromest toegediend, tenminste als het weer het toelaat. ‘Dat lukte dit najaar helaas slechts op twee percelen’, vertelt Anco.
In het voorjaar wordt dan circa twee weken voor het zaaien van uien en suikerbieten ook vaste mest over die percelen gereden en het areaal voor de poters gemulched met een Geohobel-machine die de toplaag tot 8 centimeter omwoelt. ‘Voed de bodem steeds met kleine porties; dat is de gedachte hierbij’, licht Anco toe. ‘Met deze nieuwe manier van werken hopen we het waterbufferend vermogen van de bodem te verhogen. Daarnaast verwachten we dat de draagkracht verder verbetert en spelen we reeds in op de mogelijkheid om voor CO₂-opslag betaald te krijgen.’

‘Digestaat tast de bodembiologie te veel aan’

Maatschappelijke bemoeienis

Zijn vader vult aan dat ze door deze inzet ook beter klaar zijn op het toekomstige GLB. ‘Wij telen elke vier jaar al een rustgewas en doen nu extra stappen door niet meer te ploegen en meer organische stof in de bodem te brengen. Daarvoor gebruiken we dus stromest en brengen we het  kunstmestgebruik jaar op jaar verder terug; op de pootaardappelen zitten we inmiddels op een niveau onder de 50 kilo N basisgift uit kunstmest. Al deze inzet wordt in de toekomst vast vereist en hopelijk ook beloond. Sowieso zijn wij ervan overtuigd dat de bemoeienis vanuit de maatschappij, en daarmee de druk op het gebruik van veel middelen, alleen maar verder toeneemt. Bijvoorbeeld de discussie rond gebruik van chemie en een relatie met chronische ziektes, gaat ons als telers verder raken. Daar moeten wij wel op anticiperen. Mijn grootste zorg daarbij is: krijgen we voldoende tijd van politiek en maatschappij om te kunnen anticiperen?’

Extra kosten

Hij vult aan dat het scheelt dat zij het financieel kunnen dragen om deze weg in te slaan.

‘Op discussies rond chemie in relatie tot chronische ziekten moeten wij wel anticiperen’

‘Dat is essentieel, want het houdt nog wel wat in. De investering van circa € 100.000 in mestopslag en NKG-machines is één ding, maar daaroverheen komen nogal wat variabele kosten. Denk aan gemiddeld € 90 per hectare zaaizaad voor de groenbemesters; een uur per hectare werk aan het inzaaien daarvan; € 4 à 5 per ton stromest; een uur werk per hectare aan stromest uitrijden en extra dieselkosten. Tegenover die laatste post staat dat we niet meer ploegen, maar het telt snel op. Daar komt nog bij dat wij ons wat hebben verkeken op het extra werk dat je hebt, precies in de periode dat we ook druk zijn met de oogst.’
Het hele proces is ook even wennen, weet Anco. ‘Optimale resultaten van NKG worden pas na 6 tot 7 jaar verwacht. Dat vergt geduld. En het is nu nog een zoektocht. Dat geldt net zo goed voor de keuze van groenbemesters. Je wilt een snelle en diepe beworteling, maar na de winter zo weinig mogelijk groen aan de oppervlakte overhouden. Terwijl niemand weet wat het weer doet. Onze ervaring is dat een gemengde groenbemester  met vlas, phacelia en haver het beste uitpakt.’

Gras geen rustgewas

Kees van der Bos: ‘Het scheelt dat wij het financieel kunnen dragen om de weg van verduurzaming in te slaan. Dat is essentieel, want het houdt nogal wat in.’

De NKG en strorijke mest zijn ingrijpende veranderingen, maar dat geldt ook voor een ingreep in hun bouwplan. Na jarenlang gras van de buurman als rustgewas te hebben benut, hebben Kees en Anco besloten dat niet langer te willen. ‘Wij zijn tot de conclusie gekomen dat grasland, benut voor de melkveehouderij, een te intensieve teelt is om als rustgewas in ons bouwplan toe te passen. Het gras wordt per groeiseizoen meerdere keren gemaaid en bemest. Verdichting van de grond ligt vaker op de loer en de mineralenstroom is dermate hoog dat je ook moeilijk van een rustgewas kunt spreken. Voor onze collega-melkveehouder is gras vanzelfsprekend een essentieel onderdeel in zijn bouwplan dus de discussies hierover zijn best lastig en pittig. De uitruil van grond is voor beide partijen dermate interessant dat we hier ook zeker mee door willen, alleen wel op een andere wijze.’
In samenwerking met Wageningen UR is een project opgezet om te onderzoeken wat het best passende bouwplan is in een samenwerking tussen melkveehouder en akkerbouwer.
‘We kijken samen naar de mogelijkheden van vlinderbloemige eiwitgewassen’, vertelt Anco. ‘Je kunt denken aan lupinen, veldbonen of erwten. Potentieel zijn dat gewassen die de melkveehouder ook kan benutten voor zijn koeien. Maar eerlijk gezegd zijn we nog niet overtuigd of dergelijke gewassen qua opbrengst en prijs voldoende kunnen concurreren tegenover een graangewas. Ook om die reden is het goed dat wij hierbij ondersteuning vanuit de WUR krijgen, want ook dit is echt nog een zoektocht die de komende jaren de nodige uitdagingen met zich meebrengt.’