Het gebruik van kunstmest staat, zeker in Nederland, onder toenemende druk. Kan de akkerbouw eigenlijk helemaal zonder? Agro-Vital directeur Jan Feersma Hoekstra verdiepte zich erin en meent van wel. Op klei tenminste, zandgrond wordt lastiger. ‘Verdiep je in alternatieven en herijk je bouwplannen.’

Kunstmest. Het woord alleen al maakt meer dan eens de tongen los. In toenemende mate met een negatieve grondslag. Op het gebruik ervan komt hoe dan ook meer druk te staan de komende jaren. Dat boezemt angst in bij veel akkerbouwers. Begrijpelijk, meent Jan Feersma Hoekstra.
Hij is geen pleitbezorger van een landbouw volledig zonder chemische hulpmiddelen. Toch meent hij dat de sector genoodzaakt is te kijken naar mogelijkheden als kunstmest wel echt in de ban gaat.
‘Het simpele antwoord op de vraag of akkerbouw zonder kunstmest mogelijk is, is natuurlijk ja. De biologische sector bewijst dat immers. Dat is echter een aparte markt met een hogere opbrengstprijs. Waar het om draait bij de zoektocht naar akkerbouw bedrijven
zonder kunstmest, is hoe je inkomen haalt en houdt. Want de opbrengsten van de gewassen dalen gemiddeld gezien zeker 20 procent’, lichtte Feersma Hoekstra zijn visie toe op een bijeenkomst van kenniscoöperatie Niscoö.
Voor hij zijn verhaal verder toelicht, benadrukt Feersma Hoekstra dat hij niet de waarheid in pacht heeft op dit thema. Hij tracht alleen akkerbouwers er toe aan te zetten verder te denken en te kijken in dit vraagstuk. ‘Dat geldt ook voor allerhande belanghebbenden als de overheid, producenten van kunstmest, waterschappen, waterbedrijven, milieuclubs, laboratoria en bijvoorbeeld de verwerkende industrie. ‘Eén klein voorbeeldje in dit stuk van zaken: als het onderwatergewicht van de aardappelen in de Veenkoloniën te hoog is, maakt dat de boer eigenlijk niet uit. Echter, de fritesfabriek wel.
Die wil een gelijkmatige verdeling om geen bruine frietjes te krijgen. Om die reden moet de teler wel kali strooien. Het is een voorbeeld hoe de landbouw indirect ‘gedwongen’ wordt kunstmest te gebruiken en een voorbeeld waarom ook de verwerkende industrie meer en
beter naar dit vraagstuk moet kijken.’

‘Voederconversie’ gewassen

Feersma Hoekstra stelt dat het belangrijk is te herkennen dat we heel veel nog niet weten over de bodem, het bodemleven én de kennis rondom bemesting. ‘Vroeger leerden we
dat fosfaat- en kalimeststoffen niet uitspoelen. Dat blijkt niet waar te zijn. Alles wat de grond niet benut, gaat wel ergens heen. Dat is de missing link in de akkerbouw. Boeren met varkens of leghennen weten exact de voederconversie per kilo vlees of per ei. In de akkerbouw gebeurt niets met de ‘voederconversie’ van gewassen. Dat is jammer want er zit veel verschil in de N-efficiëntie van tarwe- of aardappelrassen.’
Hij stelt dat kunstmest wordt ingezet om de bodem te bemesten. Niet om deze te voeden. ‘Het essentiële verschil tussen mest en kunstmest is koolstof. Mest bevat dat wel en voedt
en onderhoudt daarmee de bodem. Kunstmest voedt louter de plant, maar geeft geen energie aan de bodem. Het is van groot belang je dat goed te realiseren’, zegt Feersma Hoekstra.
De Agro-Vital directeur gaat nog een stapje verder in het aanstippen van de kritische punten van kunstmest. ‘De landbouw wordt vaak verweten veel bij te dragen aan CO₂-uitstoot. Dat verhaal klopt. Maar niet door de trekker die op de velden rijdt, maar door de aanvoer van kunstmest. Of beter gezegd: de productie van kunstmest.
Hij rekent het volgende voor:
• Per m³ gas wordt er 2,2 gram CO₂
geproduceerd
• Voor 1 ton KAS (27% N) is 300 m³
gas nodig
• Dat betekent dat 1 kilo N staat voor
1,1 m³ gas
• 1 kilo N staat daarmee dus voor 2,42
kilo CO₂
‘Vergelijk dat eens met een liter diesel. Die komt uit op 2,64 kilo CO₂ per liter. Als je 200 kilo zuiver N op een hectare tarwe gooit dan komt dat dus overeen met bijna 200 liter diesel. Zo komt men tot de conclusie dat landbouw erg vervuilend is qua CO₂-uitstoot.
En die CO₂-uitstoot wordt binnenkort belast. Dat belasten gebeurt richting de producerende fabriek, maar wie denk je dat die extra kosten op zijn bordje krijgt doorberekend? Vul dat zelf maar in…’

Werkelijke efficiëntie

Wie echt wil kijken hoe hij of zij kunstmest kan minderen, moet volgens Feersma Hoekstra eerst serieus aan de huidige efficiëntie van de teelt gaan rekenen. Hij rekent voor dat een hectare tarwe met een geschatte opbrengst van 10 ton nu volgens het standaardadvies 250 kilo N uit kunstmest krijgt toegediend. Omgerekend levert deze hectare niet meer dan 150 kilo N op. De efficiëntie is -40%. ‘Laat je het stro liggen, kom je op -30%’, zegt Feersma Hoekstra. ‘Waar het echter omgaat is de werkelijke efficiëntie. Als je helemaal
geen kunstmest zou gebruiken, haalde je waarschijnlijk op goede percelen nog steeds 5 ton opbrengst. Met die 250 kilo stikstof heb je dus niet 10 ton, maar eigenlijk maar 5 ton laten groeien. De werkelijke efficiëntie ligt dan met -70% nog veel lager. Was dit de
voederconversie bij een varkensboer of vleesstierenhouder dan was die morgen failliet. En wij gaan er in de akkerbouw mee door. Dat moet naar de toekomst toe in mijn ogen anders. Daarvoor moet je zelf goed nadenken en hebben we ook de kwekers nodig. We moeten niet verder kweken met de rassen met louter de hoogste opbrengst, maar met
rassen die ook goed meekomen maar veel minder kunstmest en fungiciden nodig zijn.’

Zoutbommen vermijden

Als oplossingsrichtingen bepleit Feersma Hoekstra een aantal zaken. Allereerst het gebruik van bladbemesting als alternatief voor kunstmest. ‘Met kunstmest bouw je zoutbommen op in de bodem. In plaats van bodemleven te stimuleren, doet dat heel vaak de bodem juist geen goed. Wij hebben in 2013 proeven met bladbemesting gedaan en de resultaten lieten zien dat vergelijkbare opbrengsten zeker haalbaar zijn.’

Jan Feersma Hoekstra: ‘Ik wil de akkerbouwers niet onder de koeien jagen, maar wel intensiever laten samenwerken. Dat maakt een veel meer divers bouwplan ook beter te realiseren

Naast meer inzet op bladbemesting en andere meststoffen in plaats van kunstmest, wijst Feersma Hoekstra op de in zijn ogen te enkele bouwplannen. ‘Ik weet wel dat in Nederland alleen aan bollen, uien en aardappelen echt geld te verdienen is, maar toch moeten
telers aan de slag met meer diversiteit in het bouwplan. Kijk daarbij ook goed naar de winter, wat is daar mogelijk om de grond bedekt te houden. Daarmee help je ook te bouwen aan meer organische stof in de grond, wat een ander essentieel punt is. Meer
organische stof en humus in de bodem, betekent dat je minder stikstof nodig bent. Zeker voor akkerbouwers op zandgronden is het essentieel om daar systematisch aan te werken.’

Textielindustrie

Als passende vorm richting de toekomst bepleit hij daarnaast de vorming van ‘gemengde bedrijven nieuwe stijl’. ‘Ik wil de akkerbouwers niet onder de koeien jagen, maar hen wel intensief laten samenwerken met melkveehouders. Die melkveehouder levert dan gezonde mest, liefst vermengd met stro, voor de akkers. Intensievere samenwerking met veehouders maakt een veel meer divers bouwplan ook beter te realiseren. Natuurlijk weet ik dat de huidige mestwet dit soort initiatieven erg bemoeilijkt. Daarvoor moeten jullie echt alles op alles zetten om als landbouw zelf met één stem en één langetermijnplan te komen richting de overheid. Daarbij pleit ik niet voor een volledige stop op kunstmest, maar probeer zaken uit. Ga ermee aan de slag. Je kunt wel vasthouden aan de huidige werkwijzen en methodes, maar dan verwijs ik naar de textielindustrie die enkele decennia
geleden in Nederland bloeide. Deze sector innoveerde niet en is compleet verdwenen. Bij een niet bewegende landbouwsector is de boer hetzelfde lot beschoren.’