Boeren zijn trots op hun vak. En terecht. Vrijwel alles wat we dagelijks eten begint op een boerderij. Van melk en aardappelen tot groenten, granen en vlees. Daarnaast onderhouden boeren ons landschap, zorgen ze voor werkgelegenheid op het platteland en leveren ze steeds vaker ook energie via zonnepanelen, windmolens, mestvergisting en biogas. Er zijn maar weinig beroepen die er zó toe doen als boer zijn.

Toch hoor ik bij boeren opvallend vaak hetzelfde. Dan gaat het niet over de aardappelprijs, het weer of de oogst, maar over iets veel fundamentelers: het gevoel niet meer gewaardeerd te worden. Dat gevoel is niet uit de lucht gegrepen. Onderzoeken laten zien dat veel boeren vinden dat politiek, media en een deel van de samenleving hen vooral zien als onderdeel van het probleem. De discussies over stikstof, klimaat en gewasbescherming versterken dat beeld. Boeren krijgen in de media bovengemiddeld vaak de schuld van een probleem, terwijl bereikte reducties, innovaties, toenemend natuurbeheer of modern ondernemerschap niet worden gezien. Dat versterkt het gevoel dat hun werk niet eerlijk wordt beoordeeld. 

Het opmerkelijke is dat burgers juist helemaal niet zo negatief zijn over boeren. Integendeel. De meeste Nederlanders hebben veel respect voor het werk dat boeren verrichten en beseffen hoe belangrijk voedselproductie is. Toegegeven: in landelijke gebieden is het draagvlak voor boeren doorgaans wat groter dan in stedelijke gebieden. Maar het algemene beeld is dat Nederlandse burgers overwegend positief zijn over boeren als beroepsgroep. 

Waar wringt het dan? Volgens mij zit het vooral in de houding van de overheid. Het fictieve reclamefiguur Frau Antje (zie voorpagina) stond decennia symbool voor een landbouw waar Nederland trots op was. Die trots lijkt volledig verdwenen. Neem de stikstofbrief die onlangs werd gepresenteerd. Pagina’s vol over wat er niet goed gaat en wat anders moet. Maar vrijwel niets over wat er allemaal wel goed gaat en waar de sector naartoe mag groeien. Hoe ziet de Nederlandse landbouw er in 2040 uit? Voor welke ondernemers is er ruimte? Welke investeringen worden beloond? En vooral: waarom zouden jonge boeren daar nog met overtuiging in willen investeren? Met de stikstofbrief lijkt het erop dat de nieuwe regering Frau Antje nu écht de klas uitstuurt. Maar een sector kun je niet alleen besturen met verboden, normen en uitkoopregelingen. Mensen hebben perspectief nodig. Ze willen weten dat hun vak ertoe doet.

Dat betekent niet dat de nadelige effecten van de hedendaagse landbouw moeten worden weggepoetst. De landbouw weet zelf donders goed dat het staat voor grote uitdagingen. Maar waardering ontstaat wanneer je het héle verhaal vertelt. Over het grote belang van eigen voedselproductie. Over de enorme innovatiekracht die de landbouw elke keer weer laat zien. Over de bijdrage van boeren aan landschapsonderhoud. Over de diepe vervlochtendheid van landbouw met de regionale economie. En ja, ook over de stappen die nog gezet moeten worden. Misschien nog belangrijker is de toon. Woorden doen ertoe. Wie boeren consequent neerzet als vervuilers, moet niet verbaasd zijn dat het vertrouwen verdwijnt. Wie hen behandelt als partners bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, krijgt daar betrokkenheid en ondernemerschap voor terug. Waardering koop je niet met een reclamecampagne. Die groeit uit vertrouwen. Uit consistent beleid. Uit een overheid die duidelijk maakt welke landbouw zij wil en daar ook langdurig achter blijft staan.

Boeren hoeven geen standbeeld. Ze vragen geen applaus. Maar ze verdienen wel een overheid die niet alleen vertelt wat er moet veranderen, maar ook laat zien waarom hun vak onmisbaar blijft. Zonder waardering wordt het steeds moeilijker om de mensen te behouden die iedere dag zorgen voor ons voedsel. Een land dat zijn voedselproducenten vooral ziet als een last, loopt het risico dat steeds minder mensen dat vak nog willen uitoefenen. En dat is een probleem dat veel groter is dan stikstof.

Vorig artikel‘In Tanzania maakt één koe echt een essentieel verschil’
Volgend artikel‘Deelname aan studieclub voorkomt dampaalsyndroom’