De jaarcijfers van je bedrijf op tafel leggen voor collega’s? Veel ondernemers moeten er niet aan denken. Toch doen tientallen akkerbouwers dat juist bewust. In financieel-economische studieclubs delen zij openhartig cijfers, vergelijken investeringen en bespreken ze strategische keuzes. Volgens de deelnemers levert die openheid uiteindelijk meer op dan ze kost.
Het aantal financieel-economische studieclubs bij Countus groeit. Alleen al in Flevoland zijn er inmiddels 17 groepen actief. Dankzij de bescheiden groepsgrootte zijn er nauwe contacten, wordt intensief overlegd en helpen de ondernemers elkaar verder, zo ervaren deelnemers Marcel Buijsse en Remco Trouw. ‘Het houdt je scherp en fungeert als klankbord.’ Ook in Noord-Nederland telt het netwerk van Countus meerdere
‘We zijn zakelijker geworden. Dat is ook van deze tijd’
akkerbouwstudieclubs die zich focussen op de bedrijfseconomische aspecten, maar nergens zoveel als in Flevoland. Waarom dat zo is, daar moet bedrijfsspecialist Jeroen Bil even over nadenken. ‘Het is historisch zo gegroeid, mede door het specialisme van de Countus-kantoren en adviseurs, en nog altijd relevant’, meent hij. ‘Dit jaar nog is een nieuwe groep van start gegaan met jonge ondernemers die bedrijfsopvolger zijn.’
Vertrouwelijke info lekken? Exit
Akkerbouwer Remco Trouw uit Lelystad, die voor deze gelegenheid aan de keukentafel van Marcel Buijsse in Luttelgeest is aangeschoven, heeft het overnameproces inmiddels achter de rug. ‘Twaalf jaar geleden zijn we gestart met een tiental vergelijkbare bedrijven. Door de jaren heen zijn er drie afgevallen en twee nieuwe bijgekomen. Bij bijna iedereen is de overname nu afgerond en zit je in een fase van doorontwikkeling. Het is mooi dat je met elkaar kunt sparren, discussiëren, informatie uitwisselen en kennis delen.’ Trouw, die tot onofficiële voorzitter is aangewezen, ziet nog altijd de relevantie van deelname aan een studieclub. ‘Het vertrouwen is steeds verder gegroeid, waardoor je makkelijker
Over Mts. Van Tilburg – Luttelgeest
Marcel Buijsse (47) heeft samen met zijn zwager Mark Haagsma een akkerbouwbedrijf in Luttelgeest. De gehele bedrijfsexploitatie wordt met buurman Arthur Blijdorp gedaan. Hun (schoon)vaders zijn hier vijftien jaar geleden mee gestart en de drie maten hebben dit samenwerkingsverband doorgezet. Op 250 hectare worden hoofdzakelijk poot- en consumptieaardappelen, zaaiuien, wortelen, granen en suikerbieten verbouwd. Daarnaast werkt Maatschap Blijdorp & Van Tilburg nauw samen met een buurman. Er is één machinepark voor de drie bedrijven, die wel ieder hun eigen erf, gebouwen en productopslag hebben.
vertrouwelijke informatie deelt. Alles wat we in de groep bespreken, is strikt vertrouwelijk. Schendt iemand die regel, dan is het exit.’ Bil knikt instemmend. ‘Mijn collega’s en ik zitten er niet bij als politieagent, maar je spreekt mensen wel aan op hun houding. Het is geven en nemen in zo’n groep. Is dat niet in evenwicht, dan gaan we individueel het gesprek aan.’ Voor Buijsse is dat herkenbaar. Hij ging drie jaar geleden, samen met zijn zwager, aan het werk op het akkerbouwbedrijf van hun schoonouders. Daarbij nam hij het lidmaatschap van de studieclub over van zijn schoonvader. ‘Ik ben dus een relatieve nieuwkomer, maar de groep van tien bedrijven bestaat misschien wel dertig jaar. Soms zijn er wisselingen, omdat iemand bijvoorbeeld met pensioen gaat. De groep is behoorlijk heterogeen, met bedrijven van 24 tot 350 hectare, maar wel de traditionele akkerbouwteelten.’ In de groep waar Trouw aan deelneemt is dat vergelijkbaar, al speelt de pootgoedteelt een kleinere rol. ‘We hebben twee deelnemers die biologisch boeren. Ze zijn erbij gebleven, want we kunnen juist van elkaar leren.’ De groepsgrootte waarderen beide ondernemers. ‘Je maakt makkelijk contact met elkaar’, meent Buijsse.
Financieel resultaat staat centraal
Centraal staat het financieel resultaat van de ondernemingen, al vliegen de clubs dat wel elk op hun eigen manier aan. ‘Onze begeleider Erik Arts prikkelt de deelnemers geregeld met stellingen en vraagstukken. Dat zet je op scherp’, ervaart Trouw. ‘Er is ruimte voor teeltvraagstukken en we doen geregeld een rondje gewassen in het seizoen. ’s Winters worden de cijfers besproken van de teelt en het bedrijf. Daarbij kijkt iedere deelnemer naar de jaarcijfers van één collega, om vervolgens kritisch vragen te stellen.’ Bij Buijsse in de groep gaat dat iets anders. ‘We bespreken uiteraard de teelt en resultaten. Daarnaast worden twee bedrijven aangewezen waarbij we alle cijfers gedetailleerd bekijken. Vervolgens doet iedereen drie aanbevelingen aan de ondernemer. Dat vraagt tijd, maar het levert je ook veel inzichten op.’ Beide akkerbouwers menen dat zij – mede door toedoen van de studieclubs – zakelijker zijn geworden in hun handelen.
Trouw: ‘Dat is ook wel van deze tijd. Gunning blijft belangrijk, maar tegelijkertijd moet je scherp op de kosten zijn. Niet alleen bij een offerte voor een nieuwe trekker, maar ook bij een herfinanciering. Welke rentes krijgen collega’s aangeboden die bij een andere bank zitten? Daar zijn we heel open over.’ Bil herkent dat. ‘Zeker bij financieringsvraagstukken is het raadzaam om verder te kijken dan je huisbankier. Je hoeft niet meteen over te stappen, maar het kan je wel bevestiging geven dat je nog met de juiste partij zaken doet.’ Dat het delen van informatie steeds vlotter gaat merkt ook Buijsse. ‘Transacties voor verkochte producten worden met elkaar gedeeld in de WhatsApp-groep. Daar kan iedereen zijn voordeel mee doen. Je bent beter op de hoogte van wat er speelt, al blijft de bedrijfsvoering wel individueel. Het is nadrukkelijk geen gezelligheidsgroep. Het moet meerwaarde voor jou en je bedrijf opleveren.’ ‘Eén keer per jaar organiseren we een barbecue’, vult Trouw aan. ‘Daarnaast zijn de onderlinge contacten nauw. Heeft iemand een mannetje tekort of een extra kipper nodig, dan is er altijd wel iemand die bij kan en wil springen.’
Prijs huurgrond blijft gevoelig
Is alles dan bespreekbaar binnen dit groepsverband? Trouw moet even nadenken. ‘De prijs van huurgrond blijft altijd wel gevoelig liggen. Daar loopt niet iedereen mee te koop.

Uiteindelijk ben je soms ook concurrent van elkaar. Tegelijkertijd zie ik dat er allerhande constructies worden gehanteerd, waardoor het ook bijna onmogelijk is een één op één vergelijk te maken.’ Hij weet nog wel een ander belangrijk gespreksonderwerp te noemen: subsidies. ‘In de groep zit altijd wel iemand die dit scherp in de gaten houdt. Daar kun je als bedrijf je voordeel zeker mee doen, omdat je op de hoogte bent van welke regelingen er beschikbaar zijn.’ Regelmatig worden ‘praktijkcases’ door de groepsleden behandeld. Ook de twee akkerbouwers doen daar aan mee. ‘Wij huren 2.000 tot 2.500 ton productopslag en overwegen om zelf een bewaarschuur te gaan bouwen voor aardappelen en uien’, vertelt Trouw. ‘Kies je dan voor kisten of losgestort product, welk type ventilatie en koeling? En moet je überhaupt wel een schuur bouwen wanneer je met huurgrond werkt? Met ervaringen en cijfers uit de groep kan ik een veel betere inschatting maken en ook een realistisch kostenplaatje.’ Uiteindelijk bleek dat de kosten van een bewaring huren nagenoeg net zo hoog waren als zelf een schuur bouwen. ‘Zo kun je zelf een betere beslissing nemen op basis van betrouwbare data.’
Robotisering wordt interessante
Buijsse heeft een soortgelijk voorbeeld. ‘Ik stelde de vraag: kan ik beter uitgangsmateriaal in klasse S aankopen of miniknollen gaan vermeerderen? Een collega-teler, die veel beter thuis is in de pootgoedteelt dan ik, heeft het uiteindelijk helemaal uitgeplozen en op een rij gezet. Op basis daarvan konden wij een beter besluit nemen. Verder passen we nu gaasdoek tegen luizen toe en strooien we stro tussen de ruggen. Ook dat is nadat ik er binnen het studieclubverband de positieve effecten van zag. Hetzelfde geldt voor uienteelt op ruggen of bedden en in combinatie met druppelirrigatie. Die ontwikkelingen volg ik met grote interesse. Niet alleen de teeltvoordelen, maar ook de financiële impact. Robotisering op het akkerbouwbedrijf gaat enorm snel. Dat wordt ook een zeer interessante om te volgen, want het heeft grote financiële impact.’
Het belang van de drie O’s
Kun je en mag je je spiegelen aan de resultaten van een ander? De twee akkerbouwers zijn er wat voorzichtig mee, maar kijken wel scherp waar verbetering valt te halen. Ze zijn zich bewust van hun eigen valkuilen. ‘Drie O’s zijn hier van belang’, meent Bil. ‘Dat zijn de ondernemer, de onderneming en de omgeving. Waar haal je als ondernemer je energie uit? Is dat de teelt of juist het verkopen? Ook je grondsoort en locatie spelen een rol in het geheel. Soms is het puur geluk, maar vaker het ondernemerschap dat de doorslag geeft in een goed of een geweldig saldo.’ Buijsse is realistisch over zijn eigen prestaties en bedrijf.

‘We draaien in de middenmoot mee qua financiële prestaties. Nooit onderaan, maar ook niet in de top. Het is niet zo dat de best presterende ondernemer altijd bovenaan staat, maar toch wel in de top drie.’ Trouw, lachend: ‘In onze groep is het traditie dat de teler met het hoogste rendement taart moet meenemen. Het is wel vaak dezelfde die de taart bakt.’ Door de verschillende gewassen, vooral consumptie versus pootgoed, is het soms lastig vergelijken, zo is de ervaring. ‘De pootgoedtelers scoren per hectare altijd het beste, maar leveren daarvoor ook de meeste arbeid’, weet Trouw. ‘Behalve dit jaar, want met de huidige uitbetalingsprijzen verdien ik aan mijn fritesaardappelen meer’, vult Buijsse aan.
Over VOF Trouw – Lelystad
Remco Trouw (40) boert samen met zijn broer Matthijs in Lelystad en Swifterbant. Op 210 hectare worden consumptieaardappelen, zaaiuien, wortelen, granen en suikerbieten verbouwd. Daarnaast wordt grond verhuurd voor de teelt van tulpen. De broers voeren de meeste werkzaamheden in eigen beheer uit. Daarnaast worden in loonwerk tulpen beregend en gespoten. Ook Matthijs is actief in een studieclub van Countus.
Samen kom je verder
Kennis opdoen, jezelf en je bedrijf doorontwikkelen en samen bouwen. Dat is waar beide boeren zichtbaar plezier uit halen. Bil bevestigt dat. ‘Ik probeer vooral goed te luisteren naar wat iedereen zegt, maar ook wat mensen niét zeggen. Je wilt niet dat zaken onuitgesproken blijven of dat onderhuids iets speelt. Daarnaast faciliteren we met het zeer brede netwerk van Countus ook kennisoverdracht. In de winterperiode nodigen we specialisten uit, bijvoorbeeld een jurist of fiscalist, die de leden bijpraat over de laatste stand van zaken. Dat kan iemand zijn binnen Countus, maar we nodigen ook externe partijen uit met specifieke kennis.’ Die kennisdeling en een klankbord van collega’s en experts is wat ook Buijsse en Trouw blijft aanspreken. ‘Zeker wanneer je als ondernemer alleen op je bedrijf bent kan ik mij voorstellen dat het fijn is om met collega’s te overleggen’, aldus Trouw. Bedrijfsspecialist Bil kan dat alleen maar beamen. ‘Het voorkomt het ‘dampaalsyndroom’, waarbij een boer teveel op zijn eigen bedrijf gefocust is en geen kennis van buiten ophaalt’, besluit hij.



























